Ik droom van een wereld waarin religie de meest natuurlijke zaak is (en niet bovennatuurlijk).

Waarin God een mooi verhaal is, en ook de Boeddha en al die andere mooie verhalen die de mensheid voortgebracht heeft.

Waar we instinctief aanvoelen dat religie nooit mag worden vermengd met geloof, met identiteit, met macht.

Waar we als iemand in een van die mooie verhalen blijkt te geloven onmiddellijk iets hebben van: ‘kom nou, dat meen je niet, daar dienen die verhalen niet voor.’

Waar niemand zich identificeert met een van die verhalen, op een enkeling na, die zich specialiseert in een of andere traditie.

Waar iedereen die op grond hiervan zou beweren over een bijzondere macht of autoriteit te beschikken, vriendelijk maar kordaat op zijn plaats gezet wordt.

Waar ieder individu en iedere gemeenschap een plek vindt om te mediteren, of te zingen, of een andere activiteit waarbij je je geest en je hart opent.

Waar we verschillende specialisten van verschillende tradities vrijelijk kunnen uitnodigen om van hun wijsheid te genieten.

Waar we die natuurlijke religiositeit herkennen bij elkaar, maar ook bij dichters, in kunst, en op talloze andere plaatsen, ook waar we het nooit zouden verwachten.

Waar we diep beseffen dat fundamentele menselijkheid van alle mensen is.

 

Uit: Iedereen weet. Zen en religie in tijden van wetenschap. Lannoo. 2015.